donderdag 7 juli 2011

dag 9 eighty mile beach - broome: tropen


Feiten:
Aantal auto’s gezien per uur: tot aan Broome roadhouse 5, tussen het roadhouse en Broome 35!
Afstand: 360km Eighty Mile Beach - Broome
Kleuren: Bruin, lichtgroen en geel van de eindeloze vlakten. Lichtblauw van de strakke lucht. Rood van het zand. 
Camping: PCYC in Broome. Een zogenaamde “Overflow camping”. We hebben een prima plek, er is drinkwater en er zijn douche en toiletfaciliteiten. De plaatstelijk ejeugd komt ’s avonds boksen, karate doen en baketballen. Onze kinderen staan een half uur met open mond te kijjken. Daarna kan je je tafels, stoelen en bestek meenemen als je rijst met curry mee wil eten en appel-kruimeltaart toe. Wij komen er te laat achter dat dat kan, morgen misschien?
Plaats van Bestemming: Broome. Warm, bloemig en tropische plaats. Rommelig. 
Mensen: Door de enorme hoeveelheid toeristen zijn de lokale inwoners aan de chagerijnige kant.
Dieren: Veel roofvogels onderweg. Op het laatste stuk heel veel koeien. Meeuwen bij de zee.
Meest opvallend: De klimaatsverandering van fris en zonnig naar heel warm en zonnig.
Hoogtepunt: Bokstraining in het jeugdcentrum
Dieptepunt: Simon spugend achterin de auto nadat hij iets te lang op de Nintendo heeft gespeeld......


 Broome Town Beach

Onderweg moeten we soms ruimte geven aan enorme wegtransporten, zoals deze roadtrain met mijnbouwwerktuigen


We halen de was van de waslijn,ontbijten met muesli want al ons brood is op en er is niets te krijgen, en zijn dan weer onderweg. We hobbelen 9 kilometer terug naar de weg en rijden dan door het niets naar Broome. Er is 1 roadhouse al na 45km, dan is er meer dan 300km alleen maar vlakte en rechte weg. Het is voor het eerst dat we het ver vinden, de weg is eentonig, pas de laatste 30km verandert het landschap van struikjes en woestijn naar groene begroeiing en koeienlandschap. We tanken vlak voor Broome en merken dat de Aboriginal cultuur deel uitmaakt van het normale leven hier. Een geruststellende gedachte. Als we Broome inrijden is het vol en druk. Niet met lokale mensen maar vooral met toeristen. Het is hoogseizoen en alles zit meer dan stamvol. Wij komen te recht op een zogenaamde “overloop” camping. Een veld bij de PCYC, the Police And Culture Youth Club. Zij hebben hun terrein, douches en toiletten opengesteld voor alle mensen die geen plek meer kunnen vinden. Alle inkomsten gaan naar het jeugdcentrum, dus we werken nog mee aan een goed doel ook. De douches en toiletten zijn het netste van alles wat we tot nu toe gezien hebben. Het is een prima plek. Broome is tropisch en totaal anders dan wat we tot nu toe gezien hebben. De huizen zijn koloniaal en hebben tropische tuinen met oleander, hibiscus, bougainville, boabab bomen en palmbomen. De luchtvochtigheid is hoog. De mensen zijn bruinverbrand en lopen er ontspannen bij. Het is ook rommelig en ik denk dat dat vooral met de jonge toeristen te maken heeft die op de strandcampings zitten. Er liggen glazen flessen in de berm, blikjes en andere rotzooi.
Wij zijn warm en moe als we aankomen. We moeten boodschappen doen voor de komende week dus dat doen we eerst. Als we een plek voor de nacht hebben gevonden gaan we naar het strandje vlakbij. Dat is niet het mooie strand, maar het voldoet voor nu. Morgen gaan we de stranden bezoeken waar Broome om bekend staat. En de dinosaurus voetafdrukken bekijken die je bij laag water kan zien. Misschien kunnen we zelfs een kop koffie gaan drinken in een café. Het is tenslotte een toeristenplaats en er is vast iets te krijgen.  Na alle stilte en rust van de afgelopen week vinden we het druk hier, maar ook gezellig. Bink ontwikkelt zich intussen als kleine boef. Zodra hij strand ziet begint hij te schreeuwen dat hij op de grond wil. Op het picknickkleed wil hij geen minuut liggen en hij zorgt ervoor dat hij in een tel in het zand ligt te frunniken. Het kan hem niets schelen dat er zandkorrels van zijn kruin tot zijn tenen zitten. Hij wil wat de andere kindjes doen, en dat doet hij dus......
Broome is echt ver weg van alles. En wij zijn er nu. Dat is een bijzonder gevoel. We hebben zin om de plaats een dag te gaan onderzoeken voor we weer de eenzaamheid in gaan. En wat een leuke bijkomstigheid is, is dat we internet hebben!

dag 8 eighty mile beach: niksen

Afstand: 0 km Eighty Mile Beach Caravan Park
Kleuren: Blauw van de zee, rood en roze van de opkomende en ondergaande zon, stralend blauw van de stralende ogen van de kindjes,  bruin van de gigantische zee arend, spierwit van het strand en de schelpen.
Camping: Groot en voorzien van eenvoudige maar prima faciliteiten. De meeste mensen vissen de hele dag en liggen er ’s avonds vroeg in. Het is er doodstil. We zien hier de meest fantastische kampeer combinaties. Kampeerbussen die een auto trekken, enorme caravans, tenten op daken van 4WD’s, iemand die een mobiele groententuin mee heeft, een kapper in een tent en een rij wachtenden op tuinstoelen, de vriezer in de kampeerkeuken vol met bevroren vliegen en wurmen voor de vissers, kilo’s verse vis die wordt schoongemaakt op de vistafel, en zelfs een ijsje bij de receptie.
Plaats van Bestemming: Eighty Mile Beach caravan Park, verder is hier niets.
Mensen: Bijzonder aardig “wat heb jij vandaag gevangen?”
Dieren: Zee arend, dolfijnen, gevangen vissen, heremiet kreeften, meeuwen, andere watervogels, een hagedis met stekels
Meest opvallend: Het aantal vissers dat bij vloed langs de vloedlijn staat te vissen op prachtige vissen.
Hoogtepunt: Zandballen maken op het strand.
Dieptepunt: Bink die met moeite gedouched en gewassen is en alles onderplast. Kunnen we weer opnieuw beginnen ;-).

 Eighty Mile Beach

 Zee arend op jacht

 Eenzame visserstoel




Vroeg in de ochtend weten we meteen dat we een dag blijven. Het was de hobbelige weg naar deze plek toe meer dan waard. Het strand is onwerkelijk. Honderd meter breed en kilometers lang. Heel weinig mensen. En de mensen die er zijn, zijn vissers. Naar dit prachtige strand ga je niet om te zonnen of te zwemmen. De zon is te gevaarlijk, de zee zo mogelijk nog gevaarlijker. Er zwemmen overal haaien en er zijn grote zeeslangen die in ondiep water op prooien azen. Er wordt uitbundig langs het strand gevist en we zien menig zalm en zelfs haaien gevangen worden voor het avondmaal. Wij hoeven helemaal niet te zwemmen om ons in het paradijs te voelen. We zitten uren op het strand, niksen vooral, spelen wat, zoeken schelpen en kijken naar de grote 4WD auto’s die af en toe langsrijden over het strand op zoek naar betere visplekken een aantal kilometer verderop. Een enorme zeearend komt vlak bij ons jagen en ik vind hem zo angstaanjagend dat ik de kinderen van de duinen afroep en ze vraag bij elkaar te blijven. De vogel is op jacht en doet ons niets, maar hij ziet er groot, machtig en gevaarlijk uit. We behandelen hem met het respect dat hij verdient. Er zwemmen twee families dolfijnen langs. De kinderen kijken al niet meer op. Oh, dolfijnen. Het begint normaal te worden. We eten laat in de middag warm zodat we tijd hebben om de zonsondergang op het strand te zien. Er is geen gedicht dat kan beschrijven hoe het eruit ziet. Hoe gelukkig wij ons voelen met de kinderen die spelen en lachen in het avondlicht. Hoe mooi de zon is die ondergaat. Hoe zilver het strand. Hoe goud de wolken. Hoe eenzaam de achtergelaten vissersstoel. We zijn volmaakt tevreden. Eighty Mile Beach is voor herhaling vatbaar. Morgen naar Broome. Tenminste, als we de 9km onverharde weg terug naar de normale weg halen.......We zijn in afstand over de helft. Maar in dagen pas op 1/3!

dag 7 dales gorge - eighty mile beach: van regen naar zon in 574km

Feiten:
Aantal auto’s gezien per uur: 20 op het stuk tot Port Hedland. Daarna 2/ uur
Afstand: 574 km Dales Gorge (Karijini National Park) – Eighty Mile Beach Caravan Park
Kleuren: Rood van de grond, geel van de bloemen,
Camping: Heel groot maar een mooie plek en aan het strand (dat we op dit moment nog niet gezien hebben vanwege onze late aankomst)
Plaats van Bestemming: Eighty Mile Beach caravan Park, verder is hier niets.
Mensen: Bijzonder aardig.
Dieren: Kaketoes, groene papagaaien, watervogels, pelikanen, wallibies
Meest opvallend: De eindeloosheid van het stuk langs de Great Dandy Desert. Het landschap is plat met struikjes zo ver je kan zien
Hoogtepunt: Dat er een plek is op de camping bij het strand. We parkeren de camper als net de lucht roze kleurt van de ondergaande zon.
Dieptepunt: De 9km over onverharde ribbelweg met de camper die voortdurend heen en weer zwiept.....
 Enorme ijzererts schepen in Port Hedland

 Dreigende luchten onderweg




Als we wakker worden tikt de regen op ons dak. Van rood stof is alles buiten veranderd in rode modder. We zijn blij dat we gisteren de wandelingen hebben gedaan, met regen is het te gevaarlijk en hadden we de helft niet kunnen zien. Na kort overleg met iedereen besluiten we weer te gaan rijden. De laatste lange rijdag van deze vakantie. We kunnen natuurlijk niet gaan voor de kinderen hun vragen in het national park krantje hebben beantwoord en hun Junior Ranger badge kunnen gaan halen. Ze slagen alledrie en we kunnen trots onderweg. Trots en een beetje smoezelig want we zijn ongewassen, in dit park is geen kraan te vinden. Extra leuk vindt iedereen dat. De trip door het park en vervolgens langs het park is adembenemend mooi. Rode rotsen doemen links en rechts van ons op, we rijden door een ravijn en langs woeste rotsformaties. Hier en daar loert een dingo naar ons vanachter de prikkelige bosjes. Wij zitten hoog en droog en vooral Tom vindt dat een prettig idee. Na een uur is er een roadhouse en moeten we tanken. Tussen ieder tankstation zit ca. 300km hier, dus we tanken altijd als we een benzine station zien. We houden meteen pauze en zitten net als de truckies binnen de kortste keren aan koffie, muffins en sausage rolls. Buiten staan een paar road trains en is loopt er een tiental mijnwerkers rond. Dit roadhouse functioneert als enige koffiecafe in 150km afstand. Er heerst een gezellige en gemoedelijke sfeer.
Wij gaan weer onderweg naar onze volgende stopplek, Port Hedland. We rijden langs onverharde wegen die leiden naar de vele ijzermijnen die in de Pilbara zitten. Iedere 10 minuten komen ons enorme road trains tegemoet met tot 4 aanhangwagens achter zich aan. Ze gaan allemaal naar de ijzermijnen of komen er zwaarbeladen net vandaan. De infrastructuur in deze omgeving is met name aanwezig vanwege de mijnbouw. De grijze lucht verandert langzaam naar lichtgrijs, en voor we het weten is het stralend blauw. We gaan het goede weer tegemoet. Port Hedland is een mijnstad. Indrukwekkend lange ijzertreinen met honderden karretjes staan langs de sporen, in de verte zien we fabrieken waar de Nederlandse hoogovens bij verbleken. Zelf de kinderen op de achterbank leggen hun Nintendo even terzijde. We stoppen in de haven en kijken onze ogen uit naar een enorme Chinese schepen die daar hun ijzervracht ophalen. Er vertrekt er net een terwijl wij aankomen, het is een machtig gezicht. We zien nauwelijks een Australier in het centrum van deze plaats die voornamelijk bestaat uit banken en snackbarren en een enorm uitzendburo. Er is heel veel werk en duidelik veel te weinig mensen. Als je mijnbouwer, road train chauffeur, ingenieur of adminsitratuer bent kan je direct aan de slag en het is nog zeer goed betaald ook. De vraag is of dit een leuke plaats is om te wonen. Er zijn overal camera’s in de hoofdstraat, bij het tankstation mag je alleen binnen als je aanbelt. Vaak een teken dat hier nogal eens wat voorvalt. Wij zien daar verder niets van. We halen frietjes bij een Russische snackbar waar net een ploegendienst uit de haven pauze heeft. Ze  komen direkt uit hun werk en zijn van velerlei nationaliteit. Het is erg leuk deze stad te zien maar we hebben strand beloofd en moeten dus nog even verder. Op weg naar Eighty Mile Beach. Ik vind dat de kinderen zich goed houden op de lange afstanden, ze vinden het gezellig. Het landschap is weer veranderd, er staan gele bloemen in de berm, de lucht is stralend blauw er is helemaal niets. Het is vlak met struikjes, hier en daar een termietenheuvel. Twee keer per half uur hebben we een tegenligger, een grote road train. Verder is er niets. De kindjes zijn aan een dvd begonnen, Bink wordt het nu zat. We tanken nog een keer bij een roadhouse en twijfelen wat we zullen doen. Door naar het strand of hier stoppen? We overleggen met de meute en kiezen ervoor nog een uurtje door te rijden. Dat uurtje wordt iets langer. Het strand heet Eighty Mile Beach maar de laatste 9 kilometer over onverharde weg had wat ons betreft ook Eighty Mile Road kunnen heten. We hobbelen heel langzaam over het rode ribbelige zand en Bud doet er alles aan om de camper op de weg te houden. We zitten allebei te zweten en niet door de warmte. We willen eigenlijk draaien maar daar is de weg te smal voor. De zon gaat onder. We weten niet of er een plek is. Bink moppert want hij heeft honger. We slaken een zucht van verlichting als we het bord van de camping zien. En er is zelfs een plek voor ons. Wat zijn we blij! En in de laatste rode gloed van de avondzon warmen wij het eten van gisteren op, kijken we met respect nar de langzaam verschijnende Melkweg en luisteren we naar het zingen van de zee achter de duinen. De stress is meteen weer verdwenen en we kijken uit naar morgen, een stranddag.

dag 6 tom price - dales gorge (karijini national park): accepteren

Feiten:
Aantal auto’s gezien per uur: 2 (onderweg naar het park)
Afstand: 102km Tom Price – Dales Gorge (Karijini National Park)
Kleuren: Rood van de bergen, bordeaux van de termietenheuvels, paars van de bloemen, groen van de bollen Spinifex (een stekelige grassoort die hier overdadig groeit en een belangrijke rol speelt in het ecologisch evenwicht), grijs van de lucht, groen van het water in de rivier.
Camping: Dales Gorge. Geen faciliteiten op bush toiletten na. Voor de rest komt de camper uitstekend van pas.
Plaats van Bestemming: Karijini National Park, de enige plek waar we met de camper kunnen komen.
Mensen: Bijzonder aardig.
Dieren: Kaketoes en kangaroes
 Karijini National Park, bloemen tijdens de wandeling

 Uitrusten in Dales Gorge

Het is er prachtig!

Meest opvallend: Het ongeremde vertrouwen van de kinderen in de natuur en zichzelf
Hoogtepunt: De wandeling met daarna het park krantje waarin woorden gezocht moeten worden.
Dieptepunt: Het besef dat we niet alles kunnen zien wat we zouden willen, bijvoorbeeld Mount Bruce. 



In Tom Price halen we nog snel even wat brood en sinaasappels (1.15AUD/kg, dus dat past in het budget ;-)). Ik vind het plaatsje helemaal het einde en wil nu bij Rio Tinto werken. Het is allemaal zo ontzettend stoer en gericht op buiten zijn. Je ziet alleen maar grote 4WD, mannen en vrouwen met grote rood bestofte werkschoenen en stoere werkpakken. Het zijn leuke vrolijke mensen, en dat voor de vroege maandagochtend. Dit moet wel een hele bijzondere plek zijn om te wonen. Tijdelijk, de meeste mensen wonen hier een afgebakende periode. We gaan zingend weer op weg. Een korte rijdag vandaag, dus we oefenen nog een keer de tafel van acht en beginnen aan de tafel van drie. Sommen maken is nog steeds favoriet, Isis en Simon willen de beste zijn van de klas as ze terugkomen en hebben zichzelf dit als doel gesteld. Bud en ik worden weer helemaal opgefrist en ons hoofdrekenen wordt met de dag beter. Ons eerste doel is om een berg te beklimmen in het Karijini National Park. Vanaf die berg heb je uitzicht over de bergen en op een grote ijzermijn. Daar aangekomen blijkt dat het een onverharde weg is, berg opwaarts. Wij kunnen er met de camper niet komen. We zijn er even ontzettend chagrijnig van. Isis zegt dat er zoveel andere leuke dingen zijn om te doen en dat helpt. We moeten kijken naar wat wel kan, en niet simmen over wat niet kan. We laten Mount Bruce dus rechts liggen en rijden door naar de camping in het national park. Het is heel basis, ontzettend stil en heerlijk. We zijn er al voor 12 uur dus dat betekent dat we tijd hebben om de wandeling te doen die we voor de volgende dag hadden gepland. Het wordt ons afgeraden in het ravijn te lopen, de afdaling is te moeilijk met de kinderen. Dat moet je natuurlijk nooit zeggen en als we na en half uur wandelen bij de splitsing van het pad komen waarbij links naar beneden gaat het ravijn in en naar de rivier en meertjes toe, en rechts langs de ravijnrand gaat ontstaat een heftige discussie. Simon wil heel graag naar beneden en de avontuurlijke grade 4 (zwaar en onvoorspelbaar) wandeling doen. Isis wil natuurlijk ook. Ik wil voor geen goud, alleen al over het randje naar beneden kijken zorgt ervoor dat mijn knieën knikken. Bovendien heb ik Bink in de draagdoek. Bud is dol op dit soort wandelingen. En omdat vakantie voor ieder wat wils moet zijn besluiten we dat Bud, Isis en Simon in het ravijn afdalen en dat ik langs de rand wandel met Bink en Tom. We gaan elkaar ontmoeten aan het eind van het ravijn, bij de watervallen en nog meer meertjes. Tom is woedend en verdrietig dat hij de makkelijke wandeling met mij moet doen. Zelfs mijn aanbod om de fotocamera te dragen helpt niet om het op te vrolijken. Gelukkig staan er borden over de bijzondere medicinale eigenschappen van planten en bloemen die we tegenkomen. Daar knapt hij van op. Ik ben natuurlijk onrustig over Bud en de kindjes en ben ontzettend blij als ik ze klauterend aan zie komen. Ze hebben het gehaald! Als geiten hebben ze over randen gelopen, Simon is een keer in de modder gevallen, Isis is nat want die heeft een sprong over niet gehaald. Maar ze stralen alle drie over het behaalde succes en de prachtige ongerepte natuur die ze hebben gezien. Ik ben zo ontzettend trots! En realiseer mij dat Simon en Isis inmiddels dingen kunnen die ik niet kan. Ik kan niet alles. Dat is ok, ik realiseer mij dat ik niet alles hoef te kunnen om hun de tijd van hun leven te geven. De natuur is prachtig. De plek waar we zijn is vergelijkbaar met een paradijselijke filmscène. We staan in een ravijn, de watervallen klateren naar beneden, er groeien varens uit de wanden langs het diepblauwe heldere water van het meertje. In een boom op de wand zit een 20-tal kaketoes. Het is ontroerend mooi. Geen wonder dat dit een heilige plek is van de oorspronkelijke Aboriginal bewoners. In hun legende is deze plek gecreëerd door slangen in de tijd dat de aarde nog zacht was. De slangen leven nog altijd in de meertjes onderaan de drie grote watervallen van dit ravijn. Althans, volgens de legende. Want tegenwoordig kan je er gewoon in zwemmen als je wil. Als je maar stil bent. Er wordt van je verwacht respect te tonen voor deze belangrijke plek in de Aboriginal geschiedenis. Wij gaan niet zwemmen, en we zijn stil. Dat wordt je vanzelf als je om je heenkijkt.
Compleet klimmen we het ravijn weer uit en komen weer met beide benen op de grond. De kinderen spreken over limonade en chips en willen gaan werken aan de national park krant met opdrachten die ze hebben gekregen. Zingend lopen we de laatste 1,5km. Met volle monden wordt er meteen gewerkt aan het kleine tafeltje voor de camper. We eten vroeg, en dan willen ze nog even in hun journals werken boven in hun slaapplek. Tom valt bijna meteen in slaap. Die vindt alles erg spannend en is moe. Bink krult zich ook lekker op in zijn holletje en doet meteen zijn ogen dicht. Isis en Simon zijn uitgelaten over het feit dat ze langer op mogen blijven en gaan uit zichzelf slapen omdat ze moe zijn. Het is dan 19u ;-).
Weer een heerlijke dag voorbij.



zondag 3 juli 2011

dag 5 minilya roadhouse - tom price: mijnen en toerisme

Onderweg


Feiten:
Aantal auto’s gezien per uur: 2 (voor Tom Price)
Afstand: 632 km Minilya – Tom Price
Kleuren: Groen van de uitgestrekte vlakten, rood van de beginnende bergen, zilver van het wuivende bloeiende gras, lichtblauw van de lucht.
Camping: In Tom Price. Gigantisch. Schoonste wc’s en douches ooit. Maar erg vol met mensen.
Plaats van Bestemming: Karijini National Park, we zien het liggen!
Mensen: Aardig.
Dieren: Roofvogels, witte kaketoes, koeien, dingo’s
Meest opvallend: De luxe van de mijnstadjes. Mooie huizen, stromend drinkwater, telefoonsignaal, internet
Hoogtepunt: Vliegennetjes bij de picknick
Dieptepunt: Ingeparkeerd staan tussen twee caravans in dit GROTE land


 Zonsopgang vanaf Minilya Roadhouse

 Onderweg

Footy met vliegennetjes


De zonsopgang aan de rand van de bush is adembenemend. We willen al vroeg weg zodat we vandaag naar het Karijini National Park kunnen rijden. Een behoorlijke tippel waar we allemaal naar uitkijken. Sinds gisteren is iedereen gewend aan ons nomadenbestaan en helpen de kinderen mee met laden, afwassen, vegen en alles klaarmaken. Ze vinden het prachtig. Om 8u zitten we opgeruimd in de auto. Letterlijk. We spreken 2 pauzeplekken af, een bij een roadhouse onderweg, en een bij een rustplek met picknicktafels. We kijken onze ogen uit naar het landschap dat van vlak en grassig, naar vlak en struikig verandert, steeds roder en droger wordt en waar in de verte bergen verschijnen. Op het eerste stuk zien we metershoge termietheuvels in het land staan. We eten na 2 uur een ijsje bij een roadhouse, 2,5 later stoppen we voor lunch en mogen de vliegennetten voor het eerst op. En probeer dan maar eens een boterham te eten...... 
Een uur daarna komen we bij en mijnstadje en weer een uur later zijn op plaats van bestemming, Tom Price. De mijnindustrie hier, er worden enorme hoeveelheden ijzererts gewonnen, zorgt ervoor dat de mensen hier niets te kort komt. Grote mooie huizen, scholen en sportparken. Prachtige wegen, een speciaal aangelgde spoorlijn. Het is een vreemde oase in het midden van het niets. Tom Price liigt aan de rand van het Karijini National Park. 
De camping waar we naar toegaan is tegen alle verwachtingen in GIGANTISCH en het staat er helemaal vol met caravans en auto’s. Wij staan strak ingeparkeerd tussen twee reuzencaravans. Waarom gaat iedereen in dit land, inclusief wijzelf, allemaal op een kluitje zitten?? Ze hebben hier prachtige douches en toiletten en een schone camp kitchen maar daar is alles mee gezegd….. Aan de andere kant, het is de enige plek midden tussen de mijnindustrie waar men er trots op is dat mijnindustrie en toerisme samenkomen. En dat op alle mogelijke manieren laten zien. Met succes. Dat is duidelijk. We zijn laat en bakken pannenkoeken op de bakplaten in de camp kitchen En dan valt Simon om 19.15u van zijn stoel. Hij kan niet meer en wil nog maar 1 ding, naar bed. Bink slaapt dan allang. Het is mooi geweest voor vandaag. Morgen gaan we het national park ontdekken. En als we daarna weer ontvangst hebben komt er ook weer een blog

dag 4 monkey mia - minilya road house: zuurstof


Feiten:
Aantal auto’s gezien per uur: 20
Afstand: 501 km Monkey Mia – Minilya Roadhouse
Kleuren: Groen van de uitgestrekte vlakten, grijs met geel van de weg, wit van de wolken, donkerbruin van de stromateolieten.
Camping: Een Road House. Verder dan hier halen we niet, het eerstvolgende Road House is over 225km. We staan aan de rand van de bush en het is er leuk.
Plaats van Bestemming: Minilya Roadhouse staat al 140km lang aangegeven. Het is een tankstation met een winkeltje, slaapplekken en staanplaatsen voor tenten/  caravans.
Mensen: Aardig.
Dieren: Roofvogels, witte kaketoes, schapen
Meest opvallend: De uitgestrektheid en leegte van het land
Hoogtepunt: Stromateolieten die zuurstofbubbeltjes produceren.
Dieptepunt: De eerste Aboriginal mensen die we zien zijn in Carnarvorn en zijn zwervers. Een treurig gezicht. 


 Stromateolieten in Hamelin Pool

 Twee geparkeerde road trains

De lucht

Je kan merken dat de schoolvakantie is begonnen. Nadat we om 8u nog een keer de dolfijnen hebben gezien, vandaag kwamen er drie in plaats van de 12 gisteren, gaan we weer verder. Er komen ons nu 5 tot 8 campers/ caravans per kwartier tegemoet. Het is druk!
Via een bezoek aan de stromateolieten zover mogelijk richting het Karijine National. De stromateolieten zijn zo interessant dat we er een poos blijven kijken. 3.5 biljoen jaar geleden zorgden deze eencellige bacterien ervoor dat de aarde voorzien werd van voldoende zuurstof, zodat zuurstofafhankelijke organismen zich konden gaan evolueren. Wij hebben het wonder van de zuurstofbubbeltjes kunnen aanschouwen en zijn diep onder de indruk. Stromateoliten zijn zeldzaam en slechts op twee plekken op de wereld nog te vinden. Isis en Simon schrijven het meteen in hun holiday journal en laten zich door mij met stromateolieten fotograferen zodat ze het op school  kunnen laten zien.
We tanken bij het Overlander Roadhouse waar we weer langskomen en gaan op weg naar Carnarvorn, de volgende plaats, 225km verderop. Het landschap is uitgestrekt en eindeloos. We voelen ons klein in de grootte van het land. Ik begrijp niet dat de Aborginals hier niet gewoon kunnen wonen, er is zo ontzettend veel ruimte. Langzaam verandert het lage gras en struikgewas in wat hogere struiken. Het is verrassend genoeg overwegend groen waartussen de rode aarde te zien is, de eerste bloemen beginnen te voorschijn te komen. De enorme regens van de afgelopen dagen hebben een groot effect op de natuur. Er zit zelfs wat water in een aantal rivieren die meestal droog staan. De kinderen zijn inmiddels gewend aan het ritme. We zingen, doen voortdurend sommen en woordspellen. Op lange ritten, zoals vandaag mag er ook met de Nintendo gespeeld worden, maar niet de hele tijd. Bink zingt mee, speelt met de kindjes en is in zijn sas. We zijn blij dat het zo goed gaat en dat de kindjes zulke goede reisgenoten zijn. Bij iedere pauze of eindpunt is er natuurlijk geen houden aan........maar daartussen zijn ze lief en gezellig.
Terwijl ik achter het stuur zit en mijzelf bijna een truckie voel vraag ik mij af waarom wij in de stad wonen. Deze leegte is veel meer iets voor mij denk ik. Ik word er helemaal blij van. Later als we groot zijn misschien?
We hebben afgesproken in Carnarvorn te stoppen voor een picknick en een speeltuin. We rijden Carnarvorn in over een avenue van halfdode palmbomen, ooit heeft men gedacht hier een schitterende toegangsweg van te maken. Zaterdag in Carnarvorn is niet de beste tijd het te bezoeken. Het stadje ziet er verwaarloosd uit, alles is dicht, er lopen wat alcoholisten, zwervers en verveelde scholieren rond. Een speeltuin kunnen we niet vinden. Wel een grote supermarkt om nog wat boodschappen te doen, de komende dagen hebben we daar geen kans meer voor. We lunchen met carrot cake, watermeloen en aardbeien langs het water. Het waait hard, de palmbomen wapperen in de wind en de bootjes deinen op de golven aan de ingang van de haven.  Toch besluiten we verder te rijden, dit is niet de plek waar we een nacht willen blijven. We genieten van de vrijheid om te gaan waar we willen. Net buiten Carnarvorn zijn er grote fruit en groentenplantages.  En dan is het bewoonde en gecultiveerde deel voorbij, we komen in groen bushland. De lucht is blauw, de wolken wit, de struikjes groen met hier en daar wat gele bloemen. Vanaf hier zijn het vooral road trains die ons tegemoet komen. Je hoeft je op de eindeloze nooit alleen te voelen, iedere chauffeur achter het stuur stuurt een groet door heel geraffineerd zijn hand half van het stuur te tillen en een groetgebaar te maken. Wij kunnen deze handeling inmiddels ook uitvoeren.
Bij het volgende roadhouse aangekomen, Minilya, vinden we een mooie plek aan de rand van de bush. We laden de stoelen en tafels uit, ik kook snel en in een tel zitten we gezellig bij de ondergaande zon een hapje te eten. Iedereen is vrolijk en geniet. De mannen die de wegwerkzaamheden 40km verderop moeten gaan doen drinken nog een biertje om een plastic tafel. Er zijn wat mensen die net eindelos door de bush hebben gereden en nu de tent een nacht niet willen opzetten. Er zijn twee oudere stellen met hun caravans die door Australie trekken. En wij.
Wij vinden ons samenzijn als gezin heerlijk. Met elkaar zien we langzaam de melkweg boven ons verschijnen. We volen ons steeds kleiner worden in de enorme koepel van zwart en zilver die boven ons verschijnt. Tijd om naar bed te gaan. Niet voor we met open mond hebben gekeken naar de road trains die ook ’s nachts rijden en als versierde langgerekte kerstbomen over de weg denderen.
Morgen gaan we dieper de verlatenheid in.

vrijdag 1 juli 2011

dag 3 overlander roadhouse - monkey mia (WA): strand

Feiten:
Aantal auto’s gezien per uur: 20
Afstand: 151 km  Overlander Road House – Monkey Mia
Kleuren: Wit van de schelpenstranden, oranje van de grond, donkergroen van de bosjes, blauw van het strand, groen van de picknicktafel.
Camping: We staan op een Aspen Holiday Park. Het is groot. We staan tussen off road aanhangwagen uitvouw tenten en campers. Het strand is 20 meter verderop. Prima plek, wel aan de prijs.  
Plaats van Bestemming: Monkey Mia is niets behalve een camping en beschermcentrum voor de dolfijnen.
Mensen: Aardig.
Dieren: Kraaien, heel veel watervogels, dolfijnen en een grote waterschildpad
Meest opvallend: Backpackers en hun laptops
Hoogtepunt:: De dolfijnen
Dieptepunt: De kinderen die het zwembad verkiezen boven de azuurblauwe zee....
Zonsopgang bij het road house

Dolfijnen bij Monkey Mia


Tom regelt het wel "even"


Schelpenstrand op weg naar Monkey Mia

We kunnen natuurlijk niet alleen maar rijden. Bovendien proberen we wat wij willen af te wisselen met wat de kinderen willen. En die willen zwemmen. Vanaf het road house vertrekken we in alle vroegte naar Monkey Mia over een World Heritage Drive. Dat heeft te maken met de bijzondere natuur op dit schiereiland. Er zijn stromateolieten die sinds het eerste leven op aarde niet veranderd zijn. Het zijn eencellige diertjes die zuurstof produceerden. Er zijn schelpenstranden zo wit dat je ogen zeer doen. Miljoenen schelpen liggen hier. Er is een prachtig National park en in de zee wonen grote groepen dolfijnen, haaien en schildpadden. Het is er prachtig. Daar zijn we het allemaal over eens. De camping waar we staan is enorm. Wij vallen duidelijk niet in de doelgroep als gezin. Het zijn backpackers die hier komen of oudere mensen. Gezinnen zien we nauwelijks. De oudere mensen zijn vooral Australiërs die met hun gigantische 4WD en off road aanhangwagens of caravans aan het toeren zijn. De backpackers van tegenwoordig zijn moderne jonge mensen met dure merken kleding, aftandse auto’s of busjes die waar ze ook zijn achter hun laptop films kijken of  hun sociale contacten bijhouden. 10 meter voorbij het strand van de camping zie je er geen meer. Niemand trouwens. Je hoeft maar een paar meter te lopen om verrukkelijke stilte te horen en dieren te zien. Dolfijnen zijn er genoeg, hele groepen zwemmen hier regelmatig naar het strand  om te kijken of er iets te halen valt. Er zit hier en groot dolfijnen onderzoekscentrum en iedere ochtend krijgen de dolfijnen hier een vis als snack. Dit is al rond 1960 begonnen. Isis en Simon worden gekozen om ook en snack te geven en staan met knikkende knieën en open mond toe te kijken. We douchen, doen een was en BBQen. Simon speelt schaak met Tom. Isis werkt haar vakantieverslag bij. Bink doet een extra tukje. Dag 3 was een goede dag. Iedereen is tevreden.